Vrouw Maria

In de territoriale wateren van Finland liggen meer dan duizend wrakken uit verschillende perioden. Een ervan is van bijzonder belang: het wrak van een snauw in de Nauvo-archipel ten zuidwesten van het Finse vasteland. Het ligt op een diepte van veertig meter en lijkt in goede staat te verkeren. Dankzij historische documenten en maritiem-archeologisch onderzoek weten we dat het het wrak van een Nederlands zeilschip is, de Vrouw Maria.

De Vrouw Maria, een tweemaster, was een handelsschip dat in de herfst van het jaar 1771 onderweg was van Amsterdam naar Sint-Petersburg. In een stormachtige nacht leed het schip aan de rand van de Nauvo-archipel schipbreuk en zonk een paar dagen later. Volgens de aangiftegegevens van de Deense douane bij de Sont was het schip geladen met suiker, verfstoffen, zink en textiel, benevens los vrachtgoed waarvoor ongewoon hoge douanerechten moesten worden betaald. Die golden vermoedelijk de kunstschatten die de Vrouw Maria vervoerde en die bestemd waren voor Russische edellieden en de keizerin van Rusland, Catharina de Grote. Onder de kunstwerken bevonden zich onder andere 17e-eeuwse Hollandse schilderijen. Een deel van de lading is meteen na de schipbreuk geborgen maar het grootste deel is met het schip ten onder gegaan.

De Oostzee was in de achttiende eeuw al eeuwenlang een belangrijke handelsroute tussen West- en Noord-Europa, die behalve uitruil van goederen ook culturele uitwisseling bevorderde. In de loop der eeuwen waren vaste routes ontstaan waarlangs goederen, geld en kennis werden verspreid. De Vrouw Maria voer binnen dit netwerk, waarvan Nederland en speciaal Amsterdam een van de belangrijkste centra was. Het wrak vormt een authentiek, onbedorven stukje verleden dat mensen uit de eenentwintigste eeuw in de gelegenheid stelt iets van de alledaagse werkelijkheid van ruim twee eeuwen geleden te proeven.

Onderzoeksgeschiedenis

De eerste documenten met betrekking tot de geschiedenis van de Vrouw Maria zijn reeds in de jaren 1970 door dr. Christian Ahlström in het Nationaal Archief van Finland gevonden. Ahlström verzamelde in diverse archieven beetje bij beetje meer informatie en publiceerde het materiaal voor het eerst in 1979 (Sjunka Skepp, Lund). De belangrijkste bron van informatie is de scheepsverklaring, die in het gemeentearchief van Turku werd gevonden. Het document bestaat uit een uittreksel van het logboek van de Vrouw Maria en een lijst van zaken die werden geborgen. In de Diplomatica-collectie van het Zweedse Rijksarchief in Stockholm bevindt zich diplomatieke correspondentie over pogingen het schip te zoeken en te bergen.

In een recenter verleden zijn amateurduikers jarenlang op zoek geweest naar het wrak. In de zomer van 1999 gelukte het Rauno Koivusaari van de vereniging Pro Vrouw Maria, samen met andere leden van de vereniging, tenslotte het wrak te lokaliseren met behulp van een side-scan sonar. Op initiatief van dr. Ahlström, erelid van Pro Vrouw Maria, en met de hulp van de Nederlandse ambassadeur in Finland zocht het personeel van het notarieel archief te Amsterdam naar gegevens over de Vrouw Maria, en met succes. Men vond documenten over eerdere levensfasen van het schip en verzekeringspapieren met betrekking tot de lading die het op zijn fatale reis vervoerde.

In de herfst van 1999 nam het Fins Maritiem Museum, dat het Finse culturele erfgoed onder water beheert, een onderzoeker in dienst om het onderzoek naar het wrak van de Vrouw Maria te coördineren. Het museum begon in de zomer van 2000 met veldonderzoek. De onderzoekers, geholpen door een groep amateurduikers, legde het wrak op foto en videofilm vast.

Het archiefwerk in de diverse archieven duurt voort. Dankzij het archiefonderzoek weten we nu waaruit de lading van de Vrouw Maria bestond, is de toedracht van de schipbreuk bekend en weten we van de bergingspogingen en wat er met een aantal van de geborgen goederen is gebeurd. Uit veilingcatalogi en het proefschrift "De tempel der kunst of het kabinet van den heer Braamcamp" (Amsterdam, 1961) van Clara Bille weten we bovendien welke kunstwerken de Vrouw Maria vervoerde.

Locatie en omgeving
Het wrak van de Vrouw Maria ligt aan de buitenkant van de archipel, vlakbij open zee in een nauwe geul tussen ondiepten, waar de wind vrij spel heeft. De zeebodem bestaat hier uit een dikke laag klei en gyttja (ook een soort klei) met daarboven een zandlaag. De zee is ter plekke 41 meter diep, wat betekent dat de temperatuur van het omringende water altijd laag is. Aan de rand van de open zee bestaan sterke stromingen en het ligt voor de hand dat veranderingen in de hydrografie van de Oostzee zich onmiddellijk doen voelen. De hoeveelheid licht op de bodem hangt af van de biologische activiteit in de waterkolom erboven. Op zonnige zomerse dagen bereikt zonlicht de bodem van de zee maar dan meestal zo weinig dat er ook kunstlicht nodig is om goed te kunnen zien. Het zicht onder water varieert van tien meter tot een halve meter, afhankelijk van de stroming en de hoeveelheid algen.

De toestand van het wrak
Het wrak is ongeveer 26 meter lang en 7 meter breed. Het ligt met de kiel op de zeebodem en helt naar stuurboord. De masten, die nog overeind staan, reiken tot een diepte van 22 à 24 meter. Ze bestonden elk uit drie delen en van beide is het bovenste deel aan stuurboordzijde naast het wrak gevallen.

Aan die kant van het schip ligt ook een van de scheepsankers. Het is zo diep in de zeebodem gedrongen dat een van de armen volledig bedekt is. Het feit dat dit anker zich in de zeebodem vlakbij het wrak bevindt, beduidt dat de Vrouw Maria is gezonken op de plek waar zij geankerd lag en niet is weggedreven. Het andere anker hangt nog op zijn plaats, aan de reling aan bakboordzijde.

Het romp van het schip lijkt in het algemeen nog in goede staat te verkeren. Bij de berging na de schipbreuk zijn wel enige beschadigingen aangericht en het roer en de spiegel zijn weggeslagen toen het schip vastliep. De Vrouw Maria was mooi versierd; op veel plaatsen is houtsnijwerk te zien. De vijf meter lange helmstok ligt aan de stuurboordzijde dwars op het achterdek. Op het dek liggen onderdelen van de opbouw en de tuigage, waaronder restanten van de dekhut, die ofwel los zijn gerukt toen het schip zonk ofwel later zijn losgeraakt. De kaapstander is onbeschadigd en in de kop van de kaapstander steekt nog een van de spaken. Beide pompen staan overeind en in een ervan zit de zuigerstang nog op zijn plaats.

De Vrouw Maria was een handelsschip dat vele dagen of zelfs weken zeilde zonder aan te leggen. Daarom waren behalve laadruimte ook verblijven voor de bemanning belangrijk. Bij de boeg bevond zich een bemanningsverblijf, daarachter het laadruim en bij de achtersteven een hut. Een kachelpijp voor [de ankerstok / het ankerblok] geeft de plaats van de kombuis aan. De pijp is van baksteen en reikt tot aan het bovendek.

Het feit dat het romp van het wrak onbeschadigd is, biedt ons een unieke gelegenheid een originele snauw te bestuderen. Het wrak biedt informatie over de manier waarop de lading werd gestouwd en vervoerd en ook over de zeileigenschappen van het schip. Aan de hand van de Vrouw Maria zullen we ook meer te weten komen over de scheepsbouw, een belangrijke bedrijfstak. Het was in de achttiende eeuw van vitaal belang om over grondstoffen voor de scheepsbouw te kunnen beschikken, zowel uit economisch als uit politiek gezichtspunt.

Lading en diversen
Het wrak van de Vrouw Maria en de lading tonen ons een dwarsdoorsnede van de Europese samenleving in de jaren rond 1770. Het wrak vertelt ons over leveranciers uit diverse landen, de beladers in Amsterdam, over de eilandbewoners die de lading hielpen bergen en over de burgers van Turku. Een deel van de geredde lading werd naar Sint-Petersburg vervoerd, zodat het spoor ook naar Rusland leidt. Verder komen we de douanebeambten aan de Sont tegen en uiteraard de bemanning van het schip.

Het ruim van het wrak is niet groot genoeg voor duikers om erin rond te bewegen; het zou gevaar opleveren voor de duiker zelf en ook voor het wrak. Het interieur moet daarom met een kleine robotcamera worden gedocumenteerd. Ook dat is niet eenvoudig omdat praktisch alles met een laagje slib is bedekt. Sommige dingen zijn desondanks te herkennen: staven van zink, pakkisten (sommige met het deksel er nog op) en een vloerkleed dat van zacht textiel lijkt te zijn gemaakt. Er liggen ook honderden kalkstenen tabakspijpen, die bijna een laag op zichzelf vormen over alles heen.

In de zomer van 1999, kort nadat het wrak was gevonden, hebben duikers er zes voorwerpen uitgehaald onder toezicht van een onderzoeker van het Fins Maritiem Museum. Dat zijn tevens de enige voorwerpen die tot nu toe zijn geborgen: een fles van steengoed, een loden zegel, een zinkstaaf en drie kalkstenen pijpen die allemaal op het dek of bovenin het ruim lagen. De fles, met zoutglazuur, bevatte water uit de minerale bronnen van de prins van Trier. Aan de hand van de vorm en een fabrieksmerk is de fles gedateerd op 1760-1770.

Een paar woorden op het loden zegel zijn nog leesbaar en verraden dat het hoorde bij een lading stoffen uit Leiden. Leiden was in de achttiende eeuw nog steeds een belangrijk Europees centrum van lakennijverheid. De Vrouw Maria vervoerde inderdaad weefsels en een flink deel daarvan is meteen na de schipbreuk geborgen. Daarbij is misschien het zegel van een rol stof losgeraakt.

Aan de hand van de vorm en het fabrieksmerk van de kalkstenen pijpen is inmiddels bekend waar de pijpen zijn gemaakt. Analyse van de staaf toonde aan dat die zink bevat. Dat klopt met de gegevens van de douane bij de Sont, die aangeven dat de Vrouw Maria ruim 6500 kilo zink aan boord had. Zink diende als grondstof voor de productie van messing.
Bron : MoSS Nederland